Er is een generatie die weer droomt van communisme. Van gelijkheid, van een klassenloze samenleving, van een wereld zonder privébezit en zonder “onderdrukking”. Ze delen memes over Marx, dragen Che Guevara-shirts en praten over “echte” socialisme. Alsof de geschiedenis een buffet is waar je de lekkere stukken uitkiest en de stapels lijken negeert. Tijd voor een geschiedenisles. Over Pol Pot en de Rode Khmer.
Op 17 april 1975 rolde de Rode Khmer Phnom Penh binnen. Binnen enkele uren werd de hele stad ontruimd. Ziekenhuispatiënten, bejaarden, iedereen moest te voet naar het platteland. Het Jaar Nul werd uitgeroepen. Alles wat naar de oude samenleving rook, moest worden uitgewist: steden, geld, privébezit, onderwijs, religie, familiebanden.
Iedereen die verbonden was met het verleden werd een doelwit. Een bril dragen kon je het leven kosten, het bewees dat je kon lezen en dus intellectueel was. Dokters, leraren, ingenieurs, monniken: geëxecuteerd als vijanden van de revolutie. De pure agrarische utopie eiste absolute gehoorzaamheid.
Ze maakten van een middelbare school de beruchte S-21-gevangenis (Tuol Sleng). Ruim 20.000 mensen werden er gemarteld tot ze “misdaden” bekenden die nooit hadden plaatsgevonden. Daarna gingen ze per vrachtwagen naar de Killing Fields. Beulen smeten zuigelingen tegen bomen, de beroemde “moordboom”, om kogels te sparen. Bijna twee miljoen Cambodjanen stierven in minder dan vier jaar. Een kwart van de bevolking. Door executies, honger, uitputting en ziekte.
Dit was geen ontsporing. Dit was de logische uitkomst van een ideologie die de mensheid wilde herontwerpen tot een blanke lei. Geen steden, geen geld, geen individueel bezit. Alleen de collectieve wil van de Partij.
En dan komt de standaarduitvlucht: “Maar dat was geen écht communisme.” Alsof de gulag, de Holodomor (hongersnood in de Sovjet-Unie in 1932-1933), de Culturele Revolutie en de Killing Fields allemaal toevallige misverstanden waren. Alsof de doden tellen niet meetelt zolang de intentie “puur” was.
Ongelooflijk dat Paul Rosenmöller, ooit actief in de maoïstische Groep Marxisten-Leninisten die openlijk de Rode Khmer steunde en er zelfs voor collecteerde, hier nog altijd zo licht overheen stapt. Spijt is “niet het begrip dat bij mij bovenkomt”, zei hij ooit. In zijn boek vermeed hij de naam Pol Pot zelfs. Een jeugdzonde, noemen ze het. Twee miljoen doden zijn geen jeugdzonde.
De jeugd die vandaag weer naar communisme verlangt, mag deze les leren. Niet uit boeken van idealisten, maar uit de botten in de Killing Fields. De utopie zonder privébezit eindigt altijd bij de massagraven. Altijd.


