Door Roderik Spiegel
Er was een tijd dat je door de straten van een Nederlandse stad liep en wist waar je was. Het land van ooit had zijn verschillen, zeker. Protestanten en katholieken leefden in eigen zuilen, met eigen scholen, eigen kranten en eigen verenigingen. Joodse gemeenschappen hadden hun synagogen in Amsterdam, Den Haag en in tal van provinciestadjes. Er was wrijving, er waren donkere bladzijden, en de geschiedenisboeken zwijgen daar niet over. Maar onder al die verschillen lag een gedeelde grond: de Joods-christelijke traditie, met haar besef van de waardigheid van ieder mens, van schuld en vergeving, van een wet die boven de machthebber staat.
Op die grond groeide iets bijzonders. Nederland werd een toevluchtsoord. Sefardische joden die de inquisitie ontvluchtten, vonden hier een thuis. Hugenoten die in Frankrijk om hun geloof werden vervolgd, bouwden hier hun kerken en hun bestaan op. Ze kwamen niet om het land te veranderen naar hun eigen beeld. Ze kwamen omdat hier vrijheid was. Vrijheid van geweten, vrijheid van godsdienst, vrijheid om te zeggen wat je dacht. En ze gaven die vrijheid door, met dankbaarheid, aan wie na hen kwam.
Die vrijheid was nooit naïef bedoeld. Ze rustte op een stilzwijgende afspraak: wie haar ontvangt, gunt haar ook een ander. Vrijheid van godsdienst betekende dat de katholiek de protestant liet bidden en de protestant de jood. Niet dat één geloof de vrijheid zou gebruiken om de vrijheid van alle anderen af te breken.
En precies daar wringt het vandaag.
Want er is een stroming binnengekomen die de taal van onze vrijheid spreekt, maar haar geest niet deelt. Het politieke islamisme beroept zich op vrijheid van godsdienst om moskeeën te stichten met geld uit landen waar een kerk bouwen verboden is. Het beroept zich op vrijheid van meningsuiting om haat te prediken tegen joden en afvalligen, terwijl het dezelfde vrijheid ontzegt aan wie de profeet bekritiseert. Het beroept zich op de rechtsstaat om procedures te voeren, terwijl het in eigen kring een andere, hogere wet erkent. De vrijheden die de hugenoot en de Sefardische jood als een geschenk ontvingen, worden hier gebruikt als breekijzer. Dat is de verborgen agenda: niet integreren in de vrijheid, maar haar uithollen van binnenuit.
Wie goed kijkt, ziet de barsten. Een leraar die de les over de Holocaust overslaat omdat hij de confrontatie in de klas niet meer aankan. Een joodse familie die het keppeltje onder een pet verstopt voordat ze de tram neemt, in de stad die eeuwen geleden hun voorouders opving. Een cartoonist die onderduikt in zijn eigen land. Vlaggen van terreurbewegingen op pleinen waar ooit de bevrijding werd gevierd. Het zijn kleine terugtrekkingen, en juist daarom zo gevaarlijk: elke stap terug voelt redelijk, tot je merkt hoe ver je bent geweken.
De politiek keek decennialang weg. Integratie werd een woord voor rapporten, niet voor beleid. Wie waarschuwde, werd weggezet als onverdraagzaam, terwijl de werkelijke onverdraagzaamheid ongemoeid haar wortels kon schieten. En zo ontstond het paradoxale: een samenleving die zo bang was om intolerant te lijken, dat ze de intolerantie zelf binnenliet.
Er hangt een melancholie over dit land. Het is de melancholie van iemand die beseft dat het huis waarin hij opgroeide nog overeind staat, maar dat de fundering verzakt. Je ziet het niet aan de gevel. Je voelt het pas als de deuren niet meer goed sluiten.
Is het te laat? Nee. Maar de tijd van wegkijken is voorbij. Een land dat zijn wortels kent, durft ze ook te verdedigen. Het eist dat wie hier woont de grondwet boven elke andere wet stelt, zonder uitzondering. Het sluit de geldstromen af van regimes die hier haat financieren. Het beschermt de joodse burger, de afvallige en de vrije vrouw, ook in de wijken waar dat het moeilijkst is. En het noemt de dingen bij hun naam: vrijheid van godsdienst is een schild voor de gelovige, geen wapen tegen de samenleving.
Het paard staat binnen. De vraag is niet langer of we het zien. De vraag is of we de moed nog hebben om onze poorten te bewaken, voordat de nacht valt en het luikje opengaat.


