Soms lees je een column en denk je: daar gaat-ie dan. Jan Dijkgraaf, niet de minste in het Nederlandse publieke debat, deponeerde vandaag in zijn Briefje van Jan een uitspraak die je niet snel vergeet. Hij vindt het taalgebruik rond late abortussen te soft. “Comfort geven” klinkt hem veel te vriendelijk voor wat er werkelijk gebeurt: een kindje laten sterven dat buiten de baarmoeder al een reële overlevingskans heeft. Maar meteen daarna trekt hij een harde lijn: nee, het is geen moord. En de woede moet niet naar de artsen gaan, maar naar de politiek die de wet maakt. En toen brak de hel los op X.
De reacties laten zien waar het schuurt
Moeder Monique van een couveusebaby draait de maag om bij het idee dat een levensvatbare baby gedood wordt “omdat dit nu even niet uitkomt”. In haar ogen is dat moord, punt. Mienke de Wilde gaat nog een stap verder. Na 20 weken is het geen abstracte foetus meer, maar een jongetje of meisje dat duimt, slaapt, waakt, reageert op geluid en licht en een vorm van bewustzijn heeft. “Foetus” doet dat mensje geen recht, schrijft ze. Ze dacht er vroeger net zo over als Dijkgraaf, tot ze zelf zwanger was en de echo’s zag.
Dat is precies de realiteit die veel mensen raakt. Medische vooruitgang heeft de grens van levensvatbaarheid verschoven. Waar in 1984 24 weken nog een redelijke grens leek, halen premature baby’s van 22-23 weken het tegenwoordig vaker. Techniek, couveuses en neonatologie hebben de feiten veranderd. Maar de wet niet.
Dijkgraafs punt: wet is wet
Dijkgraaf blijft nuchter-juridisch. Abortus is in Nederland legaal tot 24 weken, om welke reden dan ook. Wil je dat veranderen voor levensvatbare kinderen zonder medische noodzaak? Stem dan op partijen die de wet aanpassen. Scheld niet op artsen die zich aan de regels houden en vrouwen helpen die gebruikmaken van een bestaand recht. “Doe even normaal. We zijn toch geen apen?” Daar zit een kern van waarheid in. Artsen en verpleegkundigen staan niet te springen om late abortussen. Ze volgen de wet en hun beroepscode. De woede blindelings op hen richten lost niks op en maakt het debat giftig. Maar daarmee is het morele en feitelijke probleem niet opgelost.
Realistische reflectie
Laten we eerlijk zijn. Een kind van 22 of 23 weken is biologisch gezien geen abstracte “foetus” meer in de oude betekenis. Het heeft organen die functioneren, kan pijn ervaren (daarover lopen de discussies, maar de signalen zijn er), en met de juiste zorg overleeft het buiten de baarmoeder. Tegelijkertijd is het nog volledig afhankelijk van de moeder. Dat spanningsveld is al decennia de kern van het abortusdebat.
Dijkgraaf heeft gelijk dat we de discussie niet moeten reduceren tot schelden op individuen. Maar hij ontkent de groeiende kloof tussen wet en werkelijkheid. De wet uit 1984 is gebaseerd op medische kennis van toen. Die kennis is verouderd. In andere Europese landen ligt de grens vaak veel lager (12 weken). Nederland hobbelt achteraan met zijn 24-wekenregime.
De vraag die blijft hangen: wanneer houdt “keuze” op en begint de bescherming van een apart levend wezen? Is “foetus” niet soms een verzachtend woord om de realiteit op afstand te houden? En is het eerlijk dat we aan de ene kant extreem premature baby’s met man en macht in leven houden, terwijl we aan de andere kant in dezelfde periode abortussen uitvoeren omdat de zwangerschap “niet uitkomt”?
Tijd voor een volwassen gesprek
Dit is geen makkelijk onderwerp. Er zijn geen simpele antwoorden. Vrouwen in nood verdienen compassie en goede zorg. Maar een samenleving die levensvatbare kinderen in de baarmoeder als wegwerpbaar behandelt, verliest iets fundamenteels: respect voor het menselijk leven in zijn kwetsbaarste fase.
Jan Dijkgraaf gooit de bal bij de kiezer. Terecht. Maar dan moeten we ook durven kijken naar de feiten die zich opdringen. Medische realiteit, ontwikkeling van het kind, en de morele grens die steeds vager wordt.
Realisme vraagt om een update van de wet. Niet uit hardvochtigheid, maar uit erkenning dat een kind van 22 weken meer is dan een juridische constructie. Het is tijd voor een debat zonder apengedrag. Zonder schelden. Maar wel met open ogen.




