Ja, u leest het goed. Maar liefst vijf van de zes fracties in de gemeenteraad van Sliedrecht schromen niet om de handtekening te zetten voor het inperken van het recht op vrije meningsuiting. En daarmee tekenen zij, bewust of onbewust, mee aan de langzame dood van de democratie zelf schrijft Linda van Giezen.
Slechts één partij weigert mee te gaan in deze censuurwaanzin: Slydregt.nu. Juist de grote winnaar van de gemeenteraadsverkiezingen houdt vast aan wat zij haar kiezers beloofde: ruimte voor vrije meningsuiting, ruimte voor kritiek en ruimte voor het open debat. Het roer moet op veel punten om, maar hieraan valt niet te tornen.
Dus op deze zonnige Internationale Dag van de Plantenfascinatie wordt mijn aandacht toch weer weggetrokken van de Hortensia en kruip ik opnieuw in de digitale pen, terwijl ergens in de verte Baruch Spinoza, Rudolph Thorbecke en Pim Fortuyn zich ongetwijfeld nog een keer omdraaien.
Want wat is er aan de hand in Sliedrecht?
Naar aanleiding van maatschappelijke onrust rondom een mogelijke COA-vergunning riepen meerdere partijen inwoners op om zich “netjes” uit te drukken richting bestuurders en ambtenaren. Natuurlijk: bedreigingen en geweld horen nergens thuis. Daarvoor bestaat het strafrecht. Maar precies daar hoort de grens ook te liggen.
Want in een vrije samenleving is het niet aan de overheid om te bepalen hoe scherp burgers hun bestuurders mogen bekritiseren. Dat is precies waar democratie voor bedoeld is.
Spinoza begreep eeuwen geleden al dat vrijheid van meningsuiting geen luxe is, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een vrije samenleving. Thorbecke bouwde vervolgens een staatsbestel waarin burgers niet hoefden te buigen voor de macht, maar de macht juist moesten kunnen controleren. En Pim Fortuyn waarschuwde ervoor wat er gebeurt wanneer conformisme, bestuurlijke zelfbescherming en angst voor afwijkende meningen de overhand krijgen.
Democratie sterft namelijk zelden in één grote klap. Veel vaker sterft zij langzaam. Via sociale druk. Via bestuurlijke moraal. Via het verdacht maken van scherpe kritiek. Via het steeds kleiner maken van de ruimte waarin burgers nog ongefilterd kunnen spreken. En precies daarom is dit zo zorgwekkend.
Want zodra volksvertegenwoordigers zich gaan bemoeien met de toon van legitieme maatschappelijke woede en angst, ontstaat een gevaarlijk grijs gebied. Vandaag gaat het nog over “fatsoen”. Morgen over “ongewenste uitspraken”. En voor men het weet, wordt niet alleen bedreiging bestreden, maar afwijkende kritiek überhaupt ontmoedigd.
Een bestuurder hoeft zich niet prettig te voelen bij kritiek. Dat is nooit de voorwaarde geweest voor vrijheid. De vraag is niet of woorden soms hard, scherp of ongemakkelijk zijn. De vraag is of een samenleving nog durft te verdragen dat burgers boos zijn, wantrouwend zijn en hun bestuurders ongefilterd aanspreken.
Want zodra mensen bang worden om eerlijk te spreken, begint niet alleen de dood van het vrije woord — maar ook die van de democratie.




