Het etiket “extreemrechts” wordt te gemakkelijk toegepast op partijen als de AfD, PVV en Rassemblement National. In navolging van onder anderen Matthijs Rooduijn en Jacob Ravndal moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen radicaalrechts en extreemrechts. Van extremisme is pas sprake wanneer een beweging de democratie wil afschaffen en geweld aanvaardt of stimuleert. Strengere immigratie, nationale soevereiniteit en kritiek op Europese integratie zijn op zichzelf niet extremistisch. Een onzorgvuldige terminologie belemmert het politieke debat en kan bovendien verstrekkende juridische gevolgen hebben, zoals observatie of een partijverbod. Daarom moeten politieke partijen uitsluitend op aantoonbare antidemocratische en gewelddadige kenmerken als extreemrechts worden aangemerkt.
“Extreemrechts in Europa bevindt zich niet langer in de politieke marge. In Frankrijk is de Rassemblement National van Marine Le Pen uitgegroeid tot een van de dominante politieke krachten van het land. In Duitsland heeft de Alternative für Deutschland (AfD) zich getransformeerd van een outsiderpartij tot een belangrijke electorale kracht.”
Aldus Jan Bryxí op de website Vrijdenkers Internationaal. Het is een soort commentaar dat men op veel andere plaatsen ook tegenkomt. Het formuleert zorgen over de opkomst van “extreemrechts”. Maar wat verstaat men dan onder “extreemrechts”? Bryxí gaat verder met deze vraag als hij het volgende aan de orde stelt: “Wat gebeurt er als deze bewegingen uiteindelijk de controle over hun respectievelijke regeringen verkrijgen?”
En dan blijkt het heel erg mee te vallen met die consequenties van het aan de macht komen van “extreemrechts”. Immers dit is wat de consequenties zijn volgens Bryxí als die consequenties worden opgevoerd:
- Er zouden vrijwel zeker grote politieke veranderingen plaatsvinden.
- Het immigratiebeleid zou aanzienlijk strenger worden.
- Nationale grenzen zouden belangrijker worden.
- De Europese integratie zou voor een nieuwe, enorme uitdaging komen te staan.
- De betrekkingen met Rusland zouden ingrijpend kunnen veranderen.
Kortom, hele heilzame consequenties. Immers, ja, er moeten ook grote politieke veranderingen plaatsvinden. Inderdaad, het immigratiebeleid dient ook strenger te worden. En natuurlijk: nationale grenzen moeten belangrijker worden. En ja, de Europese integratie staat voor enorme uitdagingen, het is maar beter dat onder ogen te zien. En wie kan ontkennen dat de betrekkingen met Rusland nu bepaald niet optimaal zijn?
Toch is dat niet de conclusie die doorgaans wordt getrokken als partijen als Alternative für Deutschland, Rassemblement National of Restore Britain worden besproken. Er wordt een donker scenario geschetst en steevast wordt het gepresenteerd alsof deze partijen de landen waar zij optreden naar de afgrond zullen leiden. Zelfs waarschuwt Bryxí voor een “dictatuur” die dreigend zou zijn als de opmars van “extreemrechts” zich doorzet.
Wat gebeurt hier? In feite zit de stemmingmakerij er al in wanneer de aangegeven partijen als “extreemrechts” worden aangeduid. Waarom “extreem”? Waarom niet gewoon rechts? Of “verstandig rechts”? Of “vergeten rechts”? Of “consistent rechts”?
Met andere woorden, als dit het programma van “extreemrechts” is, dan is “extreemrechts” een heel nuttige correctie op veel politieke bewegingen die onze wereld tot chaos hebben gemaakt.
Wat is eigenlijk het gevaar van “extreemrechts”?
Wat is het gevaar van “extreemrechts”?
Dan moeten we natuurlijk eerst voor ogen krijgen wat we moeten verstaan onder “extreemrechts”. Ik zou zeggen dat kenmerkend voor extreemrechts is dat het een oriëntatie heeft op geweld. Extreemrechts gedoogt geweld of stimuleert geweld of pleegt geweld.

Door Matthijs Rooduijn, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, wordt dit mooi tot uitdrukking gebracht. Rooduijn maakt een onderscheid tussen:
- Radicaal rechtse partijen en
- Extreemrechtse partijen
Hij doet dat tegen de achtergrond van een ander begrip, namelijk “nativisme”. Wat is nativisme? Dat is een uitsluitende vorm van nationalisme. Daarbij wordt de eigen identiteit benadrukt en tegenover buitenstaanders afgezet. Als voorbeelden van die buitenstaanders wijst Rooduijn op immigranten of op mensen met een andere religie of huidskleur. Radicaalrechtse of extreemrechtse partijen zijn allebei nativistisch. Maar er is toch een verschil: de extreemrechtse partijen willen de democratie afschaffen en schuwen daarbij geweld niet.
Het lijkt me belangrijk om de semantische aanbeveling van Rooduijn te volgen. Dat wil zeggen dat kenmerkend is voor extreemrechtse partijen:
- Men wil de democratie afschaffen
- Men schuwt daarbij geweld niet
Als voorbeelden van extreemrechts noemt Rooduijn nazi’s en fascisten (inclusief de Gouden Dageraad uit Griekenland).
Op basis van deze typologie ligt het voor de hand de Nederlandse PVV, de Duitse AfD en het Franse Rassemblement National als “radicaal rechts” aan te duiden, maar niet als “extreemrechts”. Immers de aangegeven partijen:
- Geven niet aan de democratie te willen afschaffen
- Noch stimuleren of gebruiken zij geweld
Waarom is het van belang om extreemrechts van radicaal rechts te onderscheiden?
Waarom is het van belang om extreemrechts van radicaal rechts te onderscheiden? Dat is van belang om te voorkomen dat rechtse partijen worden uitgesloten van het democratisch proces. Democratie is het systeem van vrije verkiezingen waarbij uiteenlopende partijen hun plannen voor het bestuur van de staat kunnen presenteren. Natuurlijk zullen linkse partijen geen concurrentie van rechtse partijen willen. Dan kan de verleiding opkomen om te ijveren voor de uitsluiting van die rechtse partijen uit het bestel. Dat kan bijvoorbeeld door een partijverbod voor die rechtse partijen door te voeren. Hoe realiseer je dat? Door te beweren dat een gewone rechtse partij of een radicaalrechtse partij in feite een extreemrechtse partij is. Immers, partijen die de democratie willen afschaffen en daarbij geen geweld schuwen, kan men uitsluiten van het democratisch proces. Een groot deel van de politieke activiteit van linkse partijen bestaat tegenwoordig uit het ten onrechte beschuldigen van radicaal rechtse partijen dat zij extreemrechts zijn.
Politiek is retoriek
Politiek is tegenwoordig voor een groot deel retoriek geworden. De retoriek waarbij men radicaalrechtse partijen probeert extreemrechts te positioneren. Dit verklaart ook de enorme obsessie met extreemrechts tegenwoordig. Die obsessie heeft een politiek belang: radicaalrechtse partijen uit het bestel werken zonder dat men redelijke discussie hoeft te voeren over wat die partijen voorstellen. Je gaat dus geen redelijke discussie voeren over de vraag welke aantallen asielzoekers of immigranten een land aankan, maar je beschuldigt de radicaalrechtse deelnemer aan de discussie van het motief dat deze in wezen mensen wil uitsluiten vanwege de huidskleur van asielzoekers. Als je daarin slaagt, kan je betogen dat veel immigratiekritiek in feite “racistisch” is. Nu is racisme een strafbaar feit. Wie dus immigratiekritiek pleegt, pleegt een strafbaar feit. Wie strafbare feiten pleegt, sluit zichzelf uit van de democratie.
Nogmaals: de definitie van extreemrechts
Ik kom nog even terug op het onderscheid dat Rooduijn maakt tussen radicaalrechts en extreemrechts. Ik heb ook laten zien waarom linkse partijen een gevestigd belang hebben bij het relativeren van dat onderscheid. Of althans dat onderscheid niet maken. Met andere woorden, radicaalrechtse partijen worden daarmee tot extreemrechtse partijen gemaakt. En wanneer een partij als extreemrechts is gekwalificeerd, kan daartegen met juridische middelen worden opgetreden. Met de Alternative für Deutschland speelt dat in Duitsland een grote rol in de zin dat als de Bundesverfassungsschutz aannemelijk probeert te maken dat AfD extreemrechts is en dus deze partij kan worden uitgesloten van het politieke proces.
Anderen dan Rooduijn die extreem van radicaal onderscheiden
Ik kom nog even terug op de semantiek van Rooduijn ten aanzien van de term “extreemrechts”, alvorens nader in te gaan op de AfD. Jacob Ravndal maakt een onderscheid tussen twee benaderingen ten aanzien van de term: “The first approach relates extremism to political opinion.… The second approach relates extremism to the means activists use in pursuing their political goals: If you support illegal violence, you are an extremist, regardless of your specific political opinions.” Ravndal zelf bepleit de tweede benadering: “Right-wing extremism is understood as the support of using illegal violence to promote right-wing policies.”
Ravndal formuleert het helder: extreemrechts heeft geen betrekking op de inhoud van het standpunt, maar voornamelijk op de wijze waarop het standpunt wordt verdedigd: door middel van geweld (“illegal violence”).
Een consequentie hiervan zou kunnen zijn dat we hiermee ook “extreemlinks” kunnen definiëren. Extreemlinks is een partij of is een standpunt wanneer aan het volgende voldaan is:
- Men wil de democratie afschaffen
- Men schuwt daarbij geweld niet
Exact hetzelfde als met extreemrechts. Als voorbeelden van extreemlinkse stromingen kan men verwijzen naar wat “antifa” wordt genoemd (vermeend antifaschistisch verzet), maar ook naar het stalinisme. De historische parallel voor extreemrechts zijn nazistische en fascistische partijen. De historische parallel voor extreemlinks vormen anarchistische en communistische partijen.
Ik geef nog een voorbeeld ter ondersteuning van de definities van extreemrechts die Rooduijn en Ravndal presenteren. Men kan denken aan de definitie van “extremisme”, zoals die wordt gegeven door Alex P. Schmid. Schmid citeert een definitie van extremisme, zoals die door de Deense regering wordt gepresenteerd. Namelijk deze: “Extremism refers to persons or groups that commit or seek to legitimize violence or other illegal acts, with reference to societal conditions that they disagree with. The term covers e.g. left-wing extremism, right-wing extremism and Islamist extremism.”
Opnieuw: het is dus niet extreem om aan te dringen op een vergaande beperking van de immigratie. Het is ook niet extreem of extremistisch aan te dringen op het recht om alle godsdiensten te kritiseren (inclusief de islam). De inhoud van standpunten is niet wat ze extreem maakt, maar wel de manier waarop die standpunten worden verdedigd: met geweld.
Wat is het praktische belang hiervan?
Op 6 september 2026 worden verkiezingen gehouden voor de Landtag van Saksen-Anhalt, het deelstaatparlement. Het gaat dus niet om landelijke Bondsdagverkiezingen.
De AfD staat in de actuele peilingen ruim bovenaan:
AfD: circa 41–42%
CDU: circa 22–26%
Die Linke: circa 12–13%
SPD en Groenen: ongeveer 5–8%
De AfD kan daardoor niet alleen de grootste partij worden, maar mogelijk zelfs een absolute meerderheid van de zetels behalen. Dat hangt mede af van hoeveel kleinere partijen de kiesdrempel van 5% halen. Lijsttrekker van de AfD is Ulrich Siegmund. De CDU en andere gevestigde partijen hebben samenwerking met de AfD uitgesloten.
Naar alle waarschijnlijkheid zal na een eventuele verkiezingsoverwinning van de AfD onmiddellijk de discussie losbarsten over de vraag of de AfD niet een extreemrechtse partij is en derhalve kan worden verboden. Dat zou natuurlijk totaal onterecht zijn want de AfD wil niet de democratie om zeep helpen en de AfD stimuleert of gedoogt ook geen geweld. De AfD is een radicaalrechtse partij. Geen extreemrechtse partij. Wie het boekje van Alice Weidel, Widerworte: Gedanken über Deutschland (2019), op zich laat inwerken kan niet tot een andere conclusie komen dat het hier om radicaalrechtse en geen extreemrechtse ideeën gaat. Weidel wil de democratie versterken, niet afschaffen. Weidel wil geweld bestrijden, niet geweld stimuleren of geweld gedogen. Maar in de pers zal natuurlijk een onophoudelijke campagne worden gestart om haar naar de extreemrechtse hoek te trekken.
Op 2 mei 2025 kwalificeerde het federale Bundesamt für Verfassungsschutz (BfV) de gehele AfD als een “gesichert rechtsextremistische Bestrebung” — dus als een beweging waarvan het extreemrechtse karakter volgens de dienst vaststond.
De AfD vocht dit oordeel aan. Op 26 februari 2026 bepaalde het Verwaltungsgericht Köln in een voorlopige voorziening dat het BfV de AfD voorlopig niet als “bewezen extreemrechts” mag kwalificeren of behandelen.
Het BfV is het Bundesamt für Verfassungsschutz: de federale binnenlandse veiligheids- en inlichtingendienst. De dienst houdt toezicht op organisaties en personen die mogelijk een bedreiging vormen voor de democratische rechtsorde, bijvoorbeeld:
- rechts- en linksextremisme;
- islamisme en terrorisme;
- spionage en buitenlandse beïnvloeding;
- pogingen om de constitutionele orde te ondermijnen.
Het BfV valt onder het Duitse federale ministerie van Binnenlandse Zaken. De deelstaten hebben daarnaast hun eigen Landesämter für Verfassungsschutz. Het BfV is geen politiedienst: het verzamelt en analyseert informatie, maar verricht in beginsel geen arrestaties.
Het BfV had volgens de rechtbank onvoldoende aangetoond dat binnen de partij als geheel de grondwetsvijandige krachten de overhand hebben.
Totdat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan, geldt de AfD op federaal niveau daarom juridisch slechts als een rechtsextremistische “Verdachtsfall”: er bestaan voldoende aanwijzingen voor een extreemrechtse, mogelijk grondwetsvijandige gerichtheid om de partij te mogen observeren. Die status is sinds juli 2025 onherroepelijk.
Kortom: de Verfassungsschutz hééft de AfD als bewezen extreemrechts aangemerkt, maar de rechter heeft het gebruik van die zwaardere kwalificatie voorlopig verboden. De huidige geldende federale kwalificatie is dus rechtsextremistisch Verdachtsfall, niet “gesichert rechtsextremistisch”. Voor afzonderlijke deelstaatafdelingen kan een andere, zwaardere kwalificatie gelden.
Radicaalrechtse politiek (AfD, PVV, FVD, RN) staat voortdurend bloot aan de kritiek dat het extreemrechtse politiek is die men voorstaat. Dat is onterecht en zeker ook niet ongevaarlijk. Op het moment dat de kritici van radicaal rechts erin slagen hen de zwarte piet van extreemrechts in de schoenen te schuiven dreigen sancties als partijverboden.
Literatuur
Ravndal, Jacob Aasland, “Thugs or Terrorists? A Typology of Right-Wing Terrorism and Violence in Western Europe,” Journal for Deradicalization, no. 3 (2015), pp. 14–16.
Schmid, Alex P., “Conceptual Issues: Definitions, Typologies and Theories,” in Handbook of Terrorism Prevention and Preparedness (ICCT, 2021), pp. 27–28.
Weidel, Alice, Widerworte: Gedanken über Deutschland, Verlag Plassen, Kulmbach 2019.
Paul Cliteur is de schrijver van “The ideology of Islamism and the religion of Islam”, in: Populist and Islamist challenges for International Law, pp. 72-81: https://ap.lc/YWwFW



