Leuk hoor. PRO aan kop. In de peiling van Maurice de Hond, de peiling die het dichtst bij de stembusuitslag zat, staat Progressief Nederland op 26 zetels. Grootste partij. Jesse Klaver mag weer de morele winnaar spelen. De fusie van GroenLinks en PvdA lijkt te werken. Op papier.
Ik ben niet zo bang dat PRO de grootste blijft. Peilingen meten wat er nu is. Ze meten niet wat er gebeurt als links zichzelf weer splitst in een campusfractie en een volkspartij. Rob Oudkerk zei het dit voorjaar al hardop: hij voelt zich unheimisch bij PRO, zegt zijn lidmaatschap op en werkt aan iets nieuws. Rood Vooruit, met onder anderen Gerdi Verbeet, faalde in het tegenhouden van de fusie. Daarna blijft de logische volgende stap: een partij die weer sociaal-democratisch durft te heten zonder de hele identiteitscatalogus erbij. Gewoon woke-vrije sociaal-democratie. Woning, werk, zorg, pensioen. Asiel: tot hier en niet verder.
En nu is het verdacht stil rond Oudkerk. Dat is geen toeval. Dat is wachten. Hij kijkt hoe de richtingenstrijd binnen PRO loopt. Niet in een zaaltje in Utrecht, maar waar het bloedgroepenspel pas echt zichtbaar wordt: Europa. In september stemmen de leden. Sluit PRO zich aan bij de Partij van Europese Sociaaldemocraten, of bij de Europese Groene Partij? Het bestuur en Klaver duwen richting de sociaaldemocraten, met een knipoog naar de groenen. Vier Europarlementariërs zitten nu bij S&D, vier bij de Groenen. De fusie is in Den Haag “voltooid”. In Brussel is het nog een open wond.
Kiest PRO voor de sociaaldemocraten, dan kan Oudkerk nog even blijven kijken. Kiest de ledenmassa voor de Groenen, dan barst de bom. Dan is de nieuwe partij van Rob Oudkerk aanstaande. Want dan is het officieel: niet de arbeid, maar het klimaat en de identiteit hebben de moederpartij gekaapt. Dan hoeft geen PvdA-afdeling in de provincie zich nog te schamen als ze weglopen.
Kijk naar waar PRO zijn tijd aan besteedt. Diversiteit. LHBTI. Klimaat. Gaza. Allemaal onderwerpen waarmee je in de grote steden en op de universiteit applaus krijgt. Allemaal onderwerpen waarmee de vroegere arbeider zich allang niet meer herkent. Die man en die vrouw willen weten wat een huis kost, of de wijk veilig is, of hun kind nog een school heeft die lesgeeft, en of hun belasting naar de zorg gaat of naar het volgende morele project. De Partij van de Arbeid vergat de arbeid. PRO voltooide die amnesie met een groen logo.
Daarom kan één nieuwe partij genoeg zijn om het kaartenhuis te laten schuiven. Niet omdat Oudkerk, Verbeet of Arib ineens 26 zetels meenemen. Wel omdat lokale PvdA-afdelingen die de fusie nooit hebben gewild een adres krijgen. Omdat de kiezer die strategisch op “iets links” stemde ineens kan kiezen tussen preek en portemonnee. Omdat D66-overstappers bij PRO bleven hangen uit afkeer van Jetten, niet uit liefde voor Klaver. Een echte sociaal-democratische concurrent trekt precies die zwevende laag weg. Dan is PRO geen volkspartij meer, maar een grotere GroenLinks.
Natuurlijk kan zo’n nieuwe club ook mislukken. Te veel prominenten. Te weinig organisatie. Te laat. Te zacht op immigratie, of juist te laat belijdend. Links heeft een talent om ruzie over de juiste toon belangrijker te vinden dan een loonstrookje. Maar de analyse blijft staan: PRO is groot zolang het het monopolie houdt op “sociaal”. Zodra dat monopolie breekt en de Europese keuze kan die breuk forceren blijkt hoe dun de basis is buiten de culturele agenda.
De arbeider is niet verdwenen. Hij stemt alleen ergens anders. Vaak rechts, omdat daar tenminste over grenzen, overlast en bestaanszekerheid wordt gesproken. Geef hem weer een linkse partij die zijn taal spreekt in plaats van hem te corrigeren, en PRO zakt in tot wat het in de kern is: een morele middenklasse met een rood verleden.
26 zetels is geen natuurwet. Het is een tussenstand. Tot september. En tot iemand de gewone man weer durft te benoemen zonder schaamte. Dan zien we hoe groot PRO écht is.


