De overheid presenteert zichzelf graag als hoeder van gelijkwaardigheid, veiligheid en inclusie. Mooie woorden. Mooie campagnes. Mooie beleidsstukken. Maar achter die zorgvuldig opgebouwde buitenkant speelt zich volgens steeds meer ambtenaren een werkelijkheid af waar maar weinig mensen zicht op hebben. Op plekken waar de Nederlandse Grondwet als heilig zou moeten worden beschouwd, wordt deze juist bij het oud papier geplaatst, schrijft Linda van Giezen.
Bij de redactie van Realistische Reflecties komen steeds vaker meldingen binnen van ambtenaren die zich buitengesloten, geïntimideerd of gediscrimineerd voelen door hun eigen werkgever. Mensen die hun werk met overtuiging doen. Mensen die juist bij de overheid terechtkwamen omdat zij iets wilden betekenen voor de samenleving. En juist zij raken soms verstrikt in een cultuur van angst, uitsluiting en machtsmisbruik.
Wat vooral wringt, is de enorme kloof tussen de woorden en de werkelijkheid. Diversiteit en inclusie worden binnen overheidsorganisaties voortdurend gepredikt. Iedereen mag zichzelf zijn, zolang het maar binnen de gewenste deugnorm past. Want wie afwijkt van de heersende deughegemonie, merkt al snel hoe dun die tolerantie soms werkelijk is.
Zo zijn er meldingen van ambtenaren die vanwege hun politieke overtuiging monddood werden gemaakt. Mensen die niet meer welkom waren binnen hun eigen werkomgeving, simpelweg omdat zij anders dachten dan de deugende kliek. Ook kwamen er verhalen binnen van homoseksuele werknemers die tijdens gesprekken te horen kregen dat zij “minder gay” zouden moeten overkomen om meer kans te maken binnen de organisatie. Laat die zin eens echt op je inwerken. In Nederland.
Binnen overheidsinstellingen die zichzelf presenteren als toonbeeld van inclusiviteit.
En wie zich daartegen uitspreekt, betaalt daar vaak een hoge prijs voor. Veel melders beschrijven dezelfde patronen: sociale uitsluiting, beschadiging van reputaties, voortdurende druk, gesprekken die niet meer voelen als gesprekken maar als intimiderende waarschuwingen, disciplinaire trajecten, schorsingen en zelfs pogingen om mensen volledig uit de organisatie te werken. Andersdenken moeten volledig uit het sociaalmaatschappelijk en economisch leven gedrukt worden. Zij ondergaan vaak dagelijks situaties van onveiligheid, angst en dehumanisatie.
Niet zelden raken mensen daardoor emotioneel en lichamelijk uitgeput. Sommigen worden ziek. Anderen zwijgen uit angst dat het alleen maar erger wordt. Dat zwijgen is misschien nog wel het meest zorgwekkende van alles. Want hoeveel mensen lopen er nog rond binnen overheidsorganisaties die iedere dag met buikpijn naar hun werk gaan, maar niets meer durven zeggen? Hoeveel mensen houden zich stil omdat ze bang zijn voor de gevolgen voor hun inkomen, hun reputatie of hun toekomst?
Wat misschien nog wel het meest verontrustend is, is dat veel mensen weten dat dit gebeurt. Collega’s zien het. Leidinggevenden voelen het aan. Mensen spreken er fluisterend over bij het koffieapparaat of achter gesloten deuren. In afgesloten kamers noemen zij het onacceptabel, pijnlijk of zelfs afschuwelijk. Maar zodra het erop aankomt, blijft het vaak stil.
Erger nog: sommigen werken eraan mee.
Niet altijd actief of openlijk, maar juist in de kleine momenten. Door weg te kijken. Door mee te knikken. Door iemand langzaam sociaal te isoleren. Door carrière, reputatie of eigen veiligheid belangrijker te maken dan rechtvaardigheid. Zo ontstaat een cultuur waarin slachtoffers steeds verder alleen komen te staan, terwijl de omgeving zichzelf wijsmaakt dat zij “er niets aan kunnen doen” en dat als die collega dit allemaal ervaart er vast iets aan de hand is met die persoon, zoals de werkgever aangeeft. Maak van het slachtoffer de dader.
Systemen van uitsluiting blijven alleen bestaan zolang mensen bereid zijn erin mee te bewegen. Niet alleen de daders dragen verantwoordelijkheid, maar ook degenen die het zien gebeuren en besluiten te zwijgen. Desmond Tutu zei het scherp: “If you are neutral in situations of injustice, you have chosen the side of the oppressor.”
Een overheid die discriminatie zegt te bestrijden, moet bereid zijn ook eerlijk naar zichzelf te kijken. Geloofwaardigheid begint niet bij slogans, posters of diversiteitscampagnes. Geloofwaardigheid begint bij hoe mensen achter gesloten deuren daadwerkelijk behandeld worden. Want veiligheid, gelijkwaardigheid en menselijke waardigheid betekenen pas iets als ze ook gelden voor mensen die afwijken van de norm. Graag sluit ik af met een passend citaat van een van mijn grote helden, Marcus Aurelius: “Je kunt ook onrecht begaan door niets te doen.” Jezelf uitspreken tegen onrecht is het minste wat je kunt doen…
Opvallend genoeg leest men zelden over dit soort verhalen in de media. Terwijl binnen overheidsorganisaties vormen van discriminatie, sociale uitsluiting en intimidatie volgens melders veel vaker voorkomen dan men denkt.
Misschien komt dat ook doordat deze verhalen vaak niet passen binnen het dominante maatschappelijke narratief over discriminatie. Veel slachtoffers zijn autochtone Nederlanders, mensen zonder zichtbare minderheidsstatus, mensen die niet direct passen binnen de categorieën waar media, politiek en activistische organisaties doorgaans hun aandacht op richten.
Dat maakt hun ervaringen niet minder ernstig.
Want discriminatie blijft discriminatie — ongeacht iemands afkomst, uiterlijk, politieke overtuiging of seksuele geaardheid.
De pijn van sociale uitsluiting voelt niet minder zwaar omdat iemand blank is. Intimidatie wordt niet minder schadelijk omdat iemand geen hoofddoek draagt. Toch lijkt maatschappelijke verontwaardiging selectief verdeeld. Sommige verhalen halen direct de voorpagina’s, terwijl andere verdwijnen in stilte, dossiers en gesloten vergaderkamers.
Juist daarom moet hierover geschreven worden.
Want ook deze slachtoffers verdienen een stem. Ook zij verdienen bescherming, rechtvaardigheid en maatschappelijke betrokkenheid. Een samenleving die zegt op te komen tegen discriminatie, kan zich niet veroorloven alleen verontwaardigd te zijn wanneer het politiek of maatschappelijk goed uitkomt.




