Controversiële interviewer Tucker Carlson zegt in een interview dat hij niet kan begrijpen dat Duitsland dit in het verleden heeft laten gebeuren: „Niemand in Duitsland kan zeggen: ‘Wacht eens even, Pruisen is geëlimineerd… en we hebben het nooit heropgericht? Het hart van Duitsland?’” Carlson wijst op het feit dat Pruisen in 1947 door de geallieerden, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Stalin, is opgeheven. Sindsdien is het nooit meer teruggekomen.
Voor Carlson is dat een diepe vernedering die Duitsland al tachtig jaar accepteert. We hoeven toch niet uit te leggen dat verliezers van oorlogen weinig te vertellen hebben. De winnaars hebben altijd gelijk. Na 1945 bepaalde de overwinnaar de grenzen, de naamgeving en de politieke realiteit. Pruisen verdween van de kaart, Oost-Pruisen werd verdeeld en de Duitse identiteit werd systematisch herschreven.
Carlson snapt niet waarom geen enkele Duitse leider ooit heeft gezegd: dit is ons land, wij bepalen hoe we onze regio’s noemen. Hij ziet het als een gebrek aan eigenwaarde en soevereiniteit. Tegelijkertijd is de historische realiteit hard: wie een totale oorlog verliest, verliest ook het recht om de kaart opnieuw te tekenen.
Of Pruisen ooit terugkomt, is een vraag voor historici en politici. Maar Carlsons verbazing is begrijpelijk. Een land dat het hart van zijn historische identiteit zo geruisloos heeft laten verdwijnen, leeft nog steeds met de schaduw van 1945. En die schaduw is lang.
Pruisen was veel meer dan alleen militarisme
Om te begrijpen waarom Pruisen überhaupt zo’n beladen naam werd, moeten we verder terug dan 1945. Pruisen was eeuwenlang een van de belangrijkste bouwstenen van de Duitse geschiedenis. Vanuit Brandenburg-Pruisen ontstond een staat die zich in de achttiende en negentiende eeuw ontwikkelde tot een Europese grootmacht. Onder Frederik de Grote werd Pruisen beroemd om zijn sterke leger, maar óók om een professionele bureaucratie, religieuze tolerantie, onderwijs en een opvallend sterk staatsbesef. De beroemde Pruisische traditie draaide niet alleen om marcherende soldaten, maar ook om discipline, plichtsbesef en de gedachte dat de staat er niet uitsluitend was voor het persoonlijke gewin van zijn machthebbers.
Het was vervolgens de Pruisische minister-president Otto von Bismarck die onder koning Wilhelm I de Duitse eenwording forceerde. Na de oorlogen tegen Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk werd in 1871 het Duitse Keizerrijk uitgeroepen. De koning van Pruisen werd Duitse keizer en Pruisen vormde verreweg de grootste deelstaat van het nieuwe rijk. Zonder Pruisen is het moderne Duitsland nauwelijks denkbaar.
Maar daar zit ook de andere kant van het verhaal. De Pruisische militaire traditie werd na twee wereldoorlogen steeds nadrukkelijker verbonden met Duits militarisme. Die verbinding is historisch niet volledig uit de lucht gegrepen, maar wordt te simpel wanneer Pruisen rechtstreeks verantwoordelijk wordt gemaakt voor Hitler. De nazi’s kwamen niet voort uit de oude Pruisische monarchie. Sterker nog, verschillende prominente deelnemers aan het complot van 20 juli 1944 tegen Hitler, onder wie Claus von Stauffenberg, kwamen juist uit aristocratische en militaire milieus die sterk door oude Pruisische tradities waren beïnvloed.
Hitler hielp het oude Pruisen zelf al om zeep
Daar zit een belangrijke ironie die in de discussie vaak ontbreekt. De geallieerden schaften Pruisen in 1947 formeel af, maar Hitler had de politieke zelfstandigheid van Pruisen feitelijk al vernietigd.
Na de machtsovername van de nazi’s werd het Duitse federalisme ontmanteld. Met de Gleichschaltung werden de deelstaten ondergeschikt gemaakt aan het centrale naziregime. Pruisen bleef formeel bestaan, maar functioneerde niet langer als een zelfstandige politieke macht.
Toen de geallieerde Controleraad op 25 februari 1947 met Wet nr. 46 Pruisen officieel ophief, verklaarde hij dat Pruisen historisch een drager van militarisme en reactie in Duitsland was geweest. Het grondgebied dat nog van Pruisen over was, werd verdeeld over nieuwe Duitse deelstaten.
Daarmee werd dus niet simpelweg een eeuwenoude staat van de ene op de andere dag vermoord. Zijn politieke lichaam was al grotendeels ontmanteld. In 1947 werd vooral de grafsteen geplaatst.
En dan is er nog een olifant in de kamer: Oost-Pruisen
Carlsons redenering wordt bovendien ingewikkeld zodra we naar de landkaart kijken. Het historische Pruisen kan vandaag namelijk onmogelijk simpelweg worden “heropgericht” zonder onmiddellijk de vraag te stellen: welk Pruisen?
Een aanzienlijk deel van het oude Pruisische grondgebied ligt tegenwoordig helemaal niet in Duitsland. Oost-Pruisen werd na de Tweede Wereldoorlog verdeeld. Het noordelijke deel, inclusief Königsberg, werd Sovjetgebied en vormt tegenwoordig de Russische oblast Kaliningrad. Het zuidelijke deel kwam bij Polen. Miljoenen Duitsers vluchtten of werden uit voormalige Duitse gebieden ten oosten van de Oder-Neissegrens verdreven.
Het naoorlogse Duitsland heeft die territoriale werkelijkheid uiteindelijk juridisch geaccepteerd. In het Twee-plus-Vier-verdrag van 1990, dat de internationale weg naar de Duitse hereniging vrijmaakte, bevestigde het herenigde Duitsland dat het geen territoriale aanspraken op andere staten zou hebben.
Een herstel van Pruisen als historische staat mét zijn vroegere territorium zou daarom geen nostalgische administratieve wijziging zijn. Het zou de naoorlogse grenzen van Europa ter discussie stellen. Dat is een totaal andere kwestie.
Toch raakt Carlson een interessante zenuw
Maar daarmee is Carlsons observatie niet waardeloos. Je kunt namelijk onderscheid maken tussen territoriaal revanchisme en historisch zelfbewustzijn.
Duitsland hoeft natuurlijk geen stukje Polen of Rusland terug te eisen om zich af te vragen waarom “Pruisen” vrijwel volledig uit zijn huidige bestuurlijke identiteit is verdwenen. Duitsland heeft vandaag zestien deelstaten. Brandenburg bestaat. Berlijn bestaat. Saksen-Anhalt bestaat. Noordrijn-Westfalen bestaat. Grote delen daarvan behoorden ooit tot Pruisen.
Een moderne Duitse deelstaat Pruisen zou theoretisch zelfs kunnen bestaan zonder één centimeter buitenlandse grond op te eisen. Dat zou dan een interne Duitse bestuurlijke kwestie zijn. Politiek bestaat daarvoor echter nauwelijks draagvlak en de huidige deelstaten hebben inmiddels zelf sterke regionale identiteiten ontwikkeld.
Daarmee komen we bij de diepere vraag die Carlson eigenlijk aansnijdt: hoe moet een land omgaan met een historisch erfgoed dat zowel grootse als donkere hoofdstukken bevat? Moet Duitsland Pruisen blijven behandelen als een ongemakkelijke voorouder die beter niet op familiefeestjes kan worden genoemd? Of kan het land erkennen dat Pruisen tegelijkertijd militaristisch én hervormingsgezind, autoritair én rechtsstatelijk, aristocratisch én meritocratisch kon zijn? Geschiedenis hoeft geen rechtbank te zijn waarin complete eeuwen tot schuldig of onschuldig worden verklaard.
De echte erfenis van 1945
En daar wordt het verhaal uiteindelijk groter dan Pruisen. De nederlaag van 1945 was voor Duitsland absoluut. Het Derde Rijk werd vernietigd, Duitsland bezet, miljoenen Duitsers werden verdreven uit gebieden in Midden- en Oost-Europa en het land werd uiteindelijk verdeeld in twee staten. De Bondsrepubliek die daarna ontstond, bouwde bewust een nieuwe identiteit rond democratie, federalisme, Europese samenwerking en afstand tot het militaristische en nationalistische verleden.
Dat bleek uiteindelijk buitengewoon succesvol. West-Duitsland werd een stabiele democratie en economische grootmacht en in 1990 kon Duitsland vreedzaam worden herenigd. Maar succes heeft ook een prijs gehad. Duitse vaderlandsliefde bleef veel sterker beladen dan bijvoorbeeld Franse, Britse of Poolse vaderlandsliefde. De herinnering aan het nationaalsocialisme werd terecht een centraal onderdeel van de Duitse politieke cultuur, maar daardoor ontstond ook een permanente spanning tussen historische verantwoordelijkheid en normaal nationaal zelfbewustzijn.
En precies daar legt Carlson zijn vinger. Niet omdat Duitsland morgen Königsberg moet terugeisen. Dat zou absurd en geopolitiek explosief zijn. Niet omdat de geallieerden in 1947 geen begrijpelijke redenen hadden om met het oude Pruisen af te rekenen. Maar omdat eenentachtig jaar na de oorlog de vraag gerechtvaardigd is of Duitsland zijn complete geschiedenis nog uitsluitend door het prisma van 1933-1945 moet bekijken. Pruisen bestond eeuwen vóór Hitler. Goethe, Kant, Frederik de Grote, Bismarck en Stauffenberg behoren net zo goed tot de Duitse geschiedenis als Hitler en Himmler.
Een volwassen land hoeft zijn verleden niet wit te wassen. Maar het hoeft het ook niet uit te wissen.
Mis geen enkel belangrijk verhaal meer!
De media vertellen lang niet altijd het hele verhaal. Daarom brengt Realistische Reflecties dagelijks scherpe analyses, achtergronden en opinies die je niet snel ergens anders leest.
Schrijf je gratis in voor onze nieuwsbrief en ontvang de belangrijkste artikelen, exclusieve columns en opvallende nieuwsverhalen rechtstreeks in je mailbox.
Zo blijf je altijd op de hoogte van wat er écht speelt.




