Van het D66 van Hans van Mierlo is weinig meer over. Dat is geen voorzichtige veronderstelling, maar de conclusie. Sinds Alexander Pechtold is de partij geradicaliseerd tot iets wat de oprichters in 1966 niet zouden herkennen. En in 2026 zit die partij, met een paar stemmen meer dan nummer twee, in een minderheidskabinet alsof dat een mandaat van de samenleving is.
In 1966 waren de kroonjuwelen helder. Gekozen premier. Districtenstelsel. Referendum. Gekozen burgemeester.
De partij ontstond uit woede over het oude partijstelsel. Verzuiling. Achterkamertjes. Vastgeroeste verhoudingen. Burgers moesten méér te zeggen krijgen, niet minder. Een premier die de kiezer zelf kiest. Een kiesstelsel dichterbij op de kiezer. Directe democratie. Openheid. Controle. Minder macht achter gesloten deuren.
Dat was D66. Democratische vernieuwing. Geen elite die klimaat, stikstof en open grenzen behandelt als heilige waarheden waaraan de burger zich slechts heeft te onderwerpen.
Anno 2026 zijn de juwelen van glas
Kijk naar de etalage van nu. Landbouw halveren met de stikstoffuik. Een utopische klimaattransitie van wind en zon. Een federale EU. Open grenzen en massa-immigratie. Oorlogszucht tegen een kernmacht.
Geen gekozen premier. Wel een premier die steunt op 66 zetels, maar regeert alsof de Tweede Kamer slechts de voetnoot bij zijn beleid is. Geen districtenstelsel. Wel een kiesstelsel dat D66 in het centrum hield tot het de grootste werd en meteen de vernieuwing vergat. Geen referendum. Referenda waren leuk tot het volk het verkeerde antwoord gaf. Geen gekozen burgemeester. Wel benoemde bestuurders en een partij die lokale weerstand tegen asielzoekerscentra wegzet als onbeschaafd.
Van Mierlo wilde de kiezer versterken. Jetten versterkt de staat. Pechtold zette de toon: soepel in Den Haag, hard naar wie nog gelooft dat Nederland een volk is met een grens, een boer en een eigen begroting. Daarna ging het harder. Klimaat als religie. Stikstof als heilige grafiek. Europa als vaderland. Migratie als moreel bewijs. Wie tegenspartelt, is een extremist.
Een paar stemmen. Een antidemocratische truc
Vergeet de rest niet. D66 kreeg maar een paar stemmen meer dan nummer twee en koos ervoor een minderheidskabinet te vormen. Geen meerderheid in de Kamer. Geen meerderheid in het land voor de hele agenda. Wel de sleutels. Wel de stikstofbrief. Wel de morele toon.
Dat is geen democratische vernieuwing. Dat is het oude partijstelsel in een nieuwe jas: wie de formatietafel haalt, bepaalt. De oprichters wilden af van achterkamers. Dit kabinet ís de achterkamer. Links noch rechts, tot het erop aankomt. Dan is het stikstof, klimaat, EU en openheid voor de wereld. Sluiting voor de boer, de grens en de portemonnee.
Directe democratie? Alleen als de uitkomst D66 bevalt. Positie van de kiezer? Prima, zolang die kiezer progressief stemt. Openheid? Camera’s bij de toespraak. Gesloten deuren bij de schade of schande.
Een partij die in 1966 de vastgeroeste verhoudingen wilde openbreken, is zelf de nieuwe kerk. De retoriek spreekt van modernisering en vooruitgang. De praktijk laat steeds minder ruimte voor afwijking en eigen keuze. Halveer de veestapel. Zet het land vol windmolens. Lever soevereiniteit in bij Brussel. Houd de grens zacht. Stuur de rekening naar de middenklasse. En noem wie dat benoemt een gevaar voor de democratie.
D66 heeft zijn kroonjuwelen verkocht. Overgebleven is een partij van halvering, federatie en morele superioriteit. Bij Van Mierlo moest de burger de politiek wakker schudden. Bij het huidige D66 lijkt de politiek steeds vaker de burger te willen corrigeren. Van democratische vernieuwing naar bestuurlijke bevoogding: een opmerkelijke reis voor een partij die ooit werd opgericht om het bestel open te breken.



