Door: Peter van Groendellen.
Nederland bewapent zich als nooit tevoren. En wie daar vragen bij stelt, krijgt steeds vaker een ‘onafhankelijke expert’ tegenover zich. Alleen: wie betaalt die expert eigenlijk?
Terwijl Nederland zich opmaakt voor de grootste militaire opbouw sinds de Koude Oorlog, gebeurt er achter de schermen iets merkwaardigs. De overheid financiert een netwerk van denktanks, stichtingen, adviesorganen en jongerenprogramma’s die zich bezighouden met veiligheid, defensie en internationale politiek. Volgens onderzoek van NieuwRechts gaat het om organisaties die voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van overheidsgeld.
Dat is op zichzelf niet verboden en kan soms zelfs volkomen gerechtvaardigd zijn. Een overheid mag onderzoek financieren en maatschappelijke organisaties ondersteunen. Maar er ontstaat een democratisch probleem wanneer dezelfde organisaties vervolgens in de media optreden als onafhankelijke deskundigen en het publiek proberen te overtuigen van precies het beleid waarvoor de overheid mede betaalt.
Dan rijst een eenvoudige vraag: hebben we hier te maken met onafhankelijke opinievorming of met gesubsidieerde beleidsbeïnvloeding?
Wie betaalt, bepaalt niet automatisch — maar financiering doet er wel toe
Het kabinet-Jetten heeft inmiddels een duidelijke koers gekozen. De defensie-uitgaven groeien deze kabinetsperiode naar 2,8 procent van het bbp en moeten uiteindelijk naar 3,5 procent. Het kabinet wil die norm bovendien wettelijk vastleggen.
Nederland moet meer wapens kopen, meer militairen aantrekken, meer munitie produceren en nauwer samenwerken met Europese defensie-industrieën. Tijdens de NAVO-top werden opnieuw afspraken gemaakt over onder meer raketten, munitie en militaire productie.
Daar mag een democratische meerderheid uiteraard toe besluiten. Maar miljardenuitgaven vragen ook om een stevig democratisch debat.
Een burger die op televisie een ‘onafhankelijke defensie-expert’ ziet vertellen dat Nederland dringend veel meer aan defensie moet uitgeven, mag ervan uitgaan dat die deskundige onafhankelijk zijn oordeel kan vormen. Als het instituut waarvoor hij werkt ondertussen financieel afhankelijk is van ministeries die hetzelfde beleid propageren, is volledige transparantie geen luxe maar een democratische noodzaak.
Formele onafhankelijkheid is namelijk iets anders dan financiële onafhankelijkheid. Een instituut kan juridisch volledig zelfstandig zijn en tegelijkertijd voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van overheidssubsidies. Dat maakt een deskundige niet automatisch partijdig. Maar het maakt de vraag naar belangen, financiering en mogelijke afhankelijkheid wel degelijk relevant.
De werkelijke test voor onafhankelijkheid is dan ook eenvoudig: zou dezelfde overheid ook bereid zijn dezelfde organisaties te financieren wanneer zij zich fundamenteel tegen het kabinetsbeleid zouden keren?
Als het antwoord daarop nee is, gaat het niet meer alleen over onafhankelijke kennisfinanciering. Dan gaat het ook over politieke selectie.
De overheid financiert steeds vaker het ecosysteem rond beleid
Daarmee komen we bij een bredere ontwikkeling. De overheid betaalt niet alleen voor beleid, maar steeds vaker ook voor het ecosysteem eromheen: onderzoek, conferenties, programma’s, opleidingen, campagnes en maatschappelijke beïnvloeding.
Zo ontstaat een kring waarin beleid, financiering, deskundigheid en publieke opinievorming elkaar kunnen versterken.
Het probleem zit niet in één subsidie of één organisatie. Het zit in het mechanisme.
De overheid bepaalt beleid. Rond dat beleid ontstaat een netwerk van organisaties. Een deel daarvan ontvangt overheidsgeld. Die organisaties produceren onderzoek, organiseren bijeenkomsten en leveren deskundigen aan de media. Vervolgens wordt naar die deskundigen verwezen als onafhankelijke bevestiging van de noodzaak van het beleid.
Zo kan een zichzelf versterkende kring ontstaan: de overheid financiert kennis, de kennis ondersteunt het beleid en het beleid wordt vervolgens gelegitimeerd met een beroep op diezelfde kennis.
Dat is precies het punt waarop een democratie alert moet zijn.
En dit mechanisme beperkt zich niet tot defensie. Ook rond klimaat, stikstof, migratie, milieu, lhbti-beleid en Europese integratie bestaat een uitgebreid netwerk van kennisinstellingen, belangenorganisaties en maatschappelijke programma’s waarin overheid en maatschappelijke organisaties nauw met elkaar verweven kunnen raken.
De vraag is steeds dezelfde: waar eindigt onafhankelijke maatschappelijke ondersteuning en waar begint door de overheid gefinancierde beïnvloeding?
De D66-overheid
Daarmee komen we bij de bestuursfilosofie van D66. De partij die jarenlang sprak over democratische vernieuwing, transparantie en een sterke rechtsstaat staat nu aan het hoofd van een kabinet dat een steeds grotere rol van de staat voorstaat op het gebied van veiligheid, Europese samenwerking en defensie.
Premier Rob Jetten presenteert die koers als een noodzakelijk antwoord op een veranderende wereld.
Dat kan een verdedigbare politieke keuze zijn. Maar noodzakelijk beleid is nog geen vrijbrief voor een overheid die vervolgens ook het maatschappelijke draagvlak voor dat beleid gaat organiseren én financieren.
Een overheid hoort burgers te informeren. Zij hoort niet zelf de infrastructuur te bouwen waarmee burgers vervolgens van de noodzaak van haar eigen beleid moeten worden overtuigd.
Dat onderscheid is fundamenteel.
Een vrije samenleving heeft geen door de overheid betaalde applausmachine nodig. Wie miljarden extra wil uitgeven, moet burgers daarvan overtuigen met argumenten. Niet met een netwerk waarin overheid, denktanks, belangenorganisaties en zogenaamd onafhankelijke experts elkaar voortdurend bevestigen.
Burgers mogen weten waarom Nederland zich in allerlei bochten moet wringen om het beleid van het kabinet te rechtvaardigen. Ze mogen weten wat dat beleid kost. Ze mogen weten welke belangen ermee zijn gemoeid.
Maar ze mogen vooral weten wie er aan de publieke opinie meeschrijft en wie daarvoor betaalt.
Dat is geen detail.
Dat is democratie.
Het gevaar zit niet in een dictatuur, maar in de vermenging
Het gevaar is namelijk niet dat Nederland morgen letterlijk een dictatuur wordt. Daarvoor zijn onze instituties gelukkig veel te sterk.
Het gevaar is subtieler.
Het ontstaat wanneer de overheid langzaam mede gaat bepalen welke deskundigen toegang krijgen tot de media, welke onderzoeken worden gefinancierd, welke analyses worden verspreid en welke maatschappelijke organisaties worden ondersteund — om vervolgens naar diezelfde organisaties te wijzen als bewijs dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat.
Eerst wordt het beleid bepaald. Vervolgens wordt een deel van de kennisinfrastructuur rond dat beleid gefinancierd. Daarna verschijnen de betrokken deskundigen in de media. En ten slotte wordt hun optreden gebruikt als bewijs dat het beleid door onafhankelijke deskundigen wordt ondersteund.
Dat is de politieke variant van de slager die zijn eigen vlees keurt.
De vraag is daarom niet of iedere gesubsidieerde deskundige partijdig is. Natuurlijk niet. De vraag is ook niet of de overheid nooit meer onderzoek of maatschappelijke organisaties zou mogen financieren.
De vraag is veel eenvoudiger:
kan een burger nog zien waar onafhankelijke deskundigheid eindigt en door de overheid gefinancierde beleidsbeïnvloeding begint?
Als dat antwoord steeds moeilijker wordt, hebben we een serieus democratisch probleem.
Ondertussen bouwt Rob Jetten verder aan zijn Europese toekomstbeeld. Meer defensie. Meer Europese samenwerking. Meer geld. Meer regelgeving. Meer overheid.
En kennelijk ook meer geld voor organisaties die ons moeten uitleggen waarom dat allemaal noodzakelijk is.
Als dat de nieuwe bestuurscultuur van D66 is, heeft Jetten Nederland niet zozeer vernieuwd als wel veranderd in een systeem waarin de overheid eerst het beleid bepaalt, vervolgens een deel van de infrastructuur financiert waarmee dat beleid wordt verdedigd en daarna naar de onafhankelijkheid van diezelfde deskundigen verwijst als bewijs dat het beleid breed wordt gedragen.
Dat is geen democratische overtuigingskracht.
Dat is gesubsidieerd gelijk krijgen.



