Gelukkig. Terwijl de economie kraakt, de grenzen lekken, de zorg vastloopt en de energieprijzen nog steeds te hoog zijn, buigt de Tweede Kamer zich over het échte probleem van deze tijd: vaders die weigeren hun kind een dubbele achternaam te geven. Want laten we eerlijk zijn, in het D66-tijdperk draait alles om gelijkwaardigheid. En als die gelijkwaardigheid er in de praktijk niet uitkomt, dan sleutelen we net zo lang aan de wet tot de realiteit zich gewonnen geeft.
Sinds 2024 mogen kinderen twee achternamen krijgen. Een nobel streven, vond men toen. Meer gelijkwaardigheid tussen vaders en moeders. Eindelijk mochten vrouwen ook hun naam doorgeven. Prachtig op papier. In de praktijk bleek alleen dat er één klein detail over het hoofd was gezien: vaders moesten het ermee eens zijn. En die toestemming kwam lang niet altijd. Sterker nog, in veel gevallen weigerden vaders pertinent. Bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap krijgt het kind automatisch de achternaam van de vader. Wil je de naam van de moeder erbij? Dan moet hij ja zeggen. Doet hij dat niet, dan pech gehad voor moeder.
Machtsstrijd met achternaam als wapen
Kamerlid Songül Mutluer (PRO, voorheen GL-PvdA) heeft de verhalen gehoord. Tientallen vrouwen die hun kind (soms met terugwerkende kracht) ook hun eigen achternaam wilden geven, maar tegen een veto van de vader aanliepen. “In de praktijk zien we dat vaders geen toestemming geven voor een dubbele achternaam, bijvoorbeeld vanuit tradities,” zegt Mutluer. Maar het gaat verder. Volgens haar wordt de achternaam soms een instrument in een machtsstrijd. “Die toestemming wordt geweigerd omdat men psychisch geweld wil toepassen, wil pesten, een vrouw in een lastige positie wil brengen.” En dat, zo vindt Mutluer, is niet hoe de wet bedoeld was.
Tja. Tradities. Macht. Psychisch geweld. Het bekende repertoire. Want als iets niet gaat zoals de progressieve idealisten het bedacht hebben, dan moet de schuld natuurlijk bij de vader liggen. Nooit bij het simpele feit dat je een wet hebt gemaakt die in de praktijk botst met hoe mensen daadwerkelijk in relaties omgaan. Nooit bij het idee dat niet elke vader staat te springen om zijn kind een dubbele, soms onhandige, naam te geven die in latere generaties alleen maar ingewikkelder wordt.
Woke wetgeving in de praktijk
Dit is precies waar de woke wetgever telkens weer tegenaan loopt. Je bedenkt iets moois in Den Haag – gelijkwaardigheid! inclusiviteit! – en dan blijkt de werkelijkheid weerbarstig. In plaats van toe te geven dat het experiment misschien toch niet zo geslaagd is, wordt de wet verder opgerekt. Het vaderveto moet weg. Want de moeder moet altijd haar zin kunnen krijgen. Punt. De overgangsregeling voor kinderen geboren na 2016 laat al zien hoe chaotisch dit wordt. Achternamen worden een soort onderhandelingspunt in scheidingen en ruzies. Alsof we al niet genoeg juridische slagvelden hebben rond kinderen.
En ondertussen houdt de Kamer zich bezig met dit soort symboolpolitiek. Want ja, echte problemen aanpakken zoals het lerarentekort, de woningnood, of de immigratie die de samenleving onder druk zet dat is ingewikkeld. Dan moet je keuzes maken die niet iedereen leuk vindt. Veel makkelijker om vaders te framen als potentiële pesterige machtswellustelingen die vrouwen hun identiteit ontzeggen.
Realistische reflectie: een kind heeft één biologische vader en één biologische moeder. Dat is al eeuwen zo. Een achternaam is een praktische en culturele marker, geen instrument voor gendergelijkheidsactivisme. Als vaders in de praktijk vaak vasthouden aan de traditionele naam, dan zegt dat iets over de samenleving. Iets wat je niet kunt wegwetten zonder nieuwe problemen te creëren.
Maar in het D66-tijdperk telt de werkelijkheid minder zwaar dan het narratief. En dus komt het vaderveto waarschijnlijk te vervallen. Voor de gelijkwaardigheid. Uiteraard. Tot de volgende absurde correctie op de realiteit.




