Door: Peter van Groendellen
De burgemeester neemt binnen het Nederlandse openbaar bestuur een bijzondere positie in.
Anders dan wethouders en raadsleden wordt de burgemeester niet rechtstreeks gekozen door de
burgers. Formeel wordt hij of zij benoemd door de regering, hoewel de gemeenteraad
tegenwoordig een doorslaggevende rol speelt bij de selectie en voordracht van kandidaten.
Volgens hoogleraar Geerten Boogaard kan zelfs worden gesproken van een vorm van indirecte
benoeming door de gemeenteraad (VNG Magazine, editie 3, mei 2026).
Toch blijft de vraag terugkeren of burgers niet rechtstreeks hun burgemeester zouden moeten
kiezen. Voorstanders zien hierin een democratische modernisering van het lokale bestuur.
Tegenstanders vrezen dat een gekozen burgemeester het zorgvuldig opgebouwde evenwicht
binnen het Nederlandse gemeentelijke bestel zal verstoren. De discussie raakt daarmee
fundamentele vragen over democratische legitimiteit, lokale autonomie en de inrichting van de
representatieve democratie.
De huidige benoemingsprocedure
Nederland kent van oudsher de zogenaamde kroonbenoeming. De burgemeester wordt formeel
benoemd bij koninklijk besluit. In de praktijk is de invloed van de gemeenteraad echter sterk
gegroeid. Kandidaten solliciteren bij de commissaris van de Koning, maar de gemeenteraad
bepaalt uiteindelijk welke kandidaat wordt aanbevolen. De mogelijkheden voor de commissaris
of de minister om van deze voordracht af te wijken zijn beperkt.
Deze ontwikkeling laat zien dat de formele staatsrechtelijke werkelijkheid en de politieke praktijk
niet volledig samenvallen. Hoewel de benoeming juridisch nog steeds van bovenaf plaatsvindt, is
de burgemeester feitelijk steeds meer een keuze van de lokale gemeenschap geworden.
Het argument van democratische legitimiteit
Het sterkste argument voor de gekozen burgemeester is de democratische legitimiteit. In een
democratische rechtsstaat ligt het voor de hand dat belangrijke politieke ambtsdragers door de
burgers worden gekozen. Een rechtstreeks gekozen burgemeester beschikt over een eigen
mandaat van de kiezer. Hierdoor ontstaat een directere relatie tussen bestuur en bevolking.
Bovendien kan een gekozen burgemeester burgers meer betrekken bij de lokale politiek.
Burgemeestersverkiezingen kunnen publieke discussies stimuleren over veiligheid, leefbaarheid,
woningbouw en andere lokale vraagstukken. De burgemeester wordt daardoor niet langer
uitsluitend een bestuurder, maar ook een zichtbaar democratisch vertegenwoordiger van de
lokale gemeenschap.
Voorstanders wijzen daarnaast op het feit dat rechtstreeks gekozen burgemeesters in veel andere
Europese landen al jarenlang functioneren zonder grote bestuurlijke problemen. De gedachte dat
een gekozen burgemeester automatisch tot chaos zou leiden, wordt daardoor gerelativeerd.
De keerzijde van een eigen mandaat
Tegenstanders erkennen vaak de democratische aantrekkingskracht van rechtstreekse
verkiezingen, maar wijzen op de mogelijke gevolgen voor het Nederlandse bestuursmodel.
Het huidige gemeentebestuur is gebaseerd op samenwerking tussen gemeenteraad, college van
burgemeester en wethouders en burgemeester. De burgemeester heeft daarbij een bijzondere
positie: hij of zij staat boven de partijen en vervult een verbindende rol. Wanneer de
burgemeester rechtstreeks wordt gekozen, ontstaat een zelfstandige politieke legitimiteit naast
die van de gemeenteraad.
Daardoor kan spanning ontstaan. Een burgemeester die campagne heeft gevoerd met concrete
verkiezingsbeloften zal geneigd zijn deze waar te maken. Tegelijkertijd kan de gemeenteraad een
andere politieke meerderheid hebben. Volgens Boogaard zal een rechtstreeks gekozen
burgemeester daarom waarschijnlijk meer invloed nastreven om het eigen programma uit te
voeren.
Politicologisch gezien ontstaat dan een situatie die lijkt op een presidentieel systeem, waarin
verschillende democratisch gelegitimeerde actoren elkaar kunnen tegenwerken. De vraag is of dit
past binnen de Nederlandse traditie van overleg, coalitievorming en gedeelde
verantwoordelijkheid.
Lokale partijen, beroepspolitici en bestuurlijke vernieuwing
Een interessant argument vóór de gekozen burgemeester betreft niet alleen de positie van lokale
partijen, maar ook de dominantie van beroepspolitici binnen het huidige benoemingssysteem. De
traditionele route naar het burgemeestersambt verloopt veelal via een politieke carrière binnen
een landelijke partij: van politiek actief student naar beleidsmedewerker, fractiemedewerker of
woordvoerder, vervolgens raadslid, wethouder en uiteindelijk burgemeester.
Deze loopbaanstructuur heeft voordelen, omdat zij politieke ervaring en bestuurlijke kennis
oplevert. Tegelijkertijd schuilt hierin een belangrijk risico. Een groeiende groep politieke
bestuurders heeft gedurende haar gehele carrière voornamelijk binnen de politieke en
bestuurlijke omgeving gefunctioneerd en beschikt slechts beperkt over ervaring in
ondernemingen, uitvoerende beroepen, maatschappelijke organisaties of andere delen van de
samenleving. Hierdoor kan een bestuurscultuur ontstaan waarin theoretische beleidsconcepten,
communicatiestrategieën en procesmanagement zwaarder wegen dan praktische uitvoerbaarheid
en maatschappelijke werkelijkheid.
Critici menen dat juist deze professionalisering van de politiek heeft bijgedragen aan een
bestuurlijke vervreemding tussen bestuurders en burgers. Bestuurders spreken dan wel namens
de samenleving, maar hebben deze vaak vooral leren kennen via beleidsnota’s,
partijprogramma’s, belangenorganisaties en ambtelijke adviezen. De afstand tot ondernemers,
werknemers, vrijwilligers, boeren, leraren, zorgprofessionals en andere burgers die dagelijks met
de concrete gevolgen van beleid worden geconfronteerd, neemt daardoor toe.
Vanuit dit perspectief kan worden betoogd dat de huidige benoemingspraktijk een relatief
gesloten bestuurlijke elite reproduceert. Politieke loyaliteit, netwerkvorming en bestuurlijke
ervaring binnen het bestaande systeem wegen vaak zwaarder dan maatschappelijke of
professionele ervaring buiten dat systeem. Het gevolg is een bestuurlijke laag die uitstekend
thuis is in procedures en beleidsvorming, maar soms moeite heeft aansluiting te houden bij de
weerbarstige realiteit van lokaal bestuur.
Een rechtstreeks gekozen burgemeester zou deze dynamiek kunnen doorbreken. Personen met
een sterke lokale reputatie, bijvoorbeeld ondernemers, bestuurders van maatschappelijke
instellingen, juristen, militairen, zorgprofessionals of andere burgers met een aanzienlijke
maatschappelijke staat van dienst, zouden zich rechtstreeks tot de kiezer kunnen wenden zonder
eerst een volledige partijpolitieke carrière te doorlopen. Hierdoor ontstaat potentieel een grotere
diversiteit aan bestuurlijke achtergronden en praktijkervaringen.
De aantrekkingskracht van een gekozen burgemeester ligt daarom niet uitsluitend in een
versterking van de democratische legitimiteit, maar ook in de mogelijkheid om het bestuurlijke
reservoir te verbreden. In een tijd waarin regelmatig wordt gesproken over een bestuurscrisis,
een uitvoeringscrisis en een afnemend vertrouwen in de politiek, kan meer ruimte voor
kandidaten met substantiële maatschappelijke en beroepsmatige ervaring bijdragen aan een
bestuur dat dichter bij de lokale werkelijkheid staat.
Tegenover deze mogelijke voordelen staat dat rechtstreekse verkiezingen kunnen leiden tot
verdere personalisering van de politiek. De verkiezingsstrijd kan dan meer draaien om persoonlijk
leiderschap, charisma en publieke zichtbaarheid dan om inhoudelijke programma’s. De vraag
blijft daarom of een gekozen burgemeester daadwerkelijk leidt tot beter bestuur, maar het debat
maakt wel zichtbaar dat de discussie uiteindelijk niet alleen gaat over democratische legitimiteit,
maar ook over de kwaliteit, diversiteit en maatschappelijke verankering van het lokale bestuur.
Lokale autonomie als alternatief perspectief
Misschien wel de meest vernieuwende gedachte in de actuele discussie is dat niet het Rijk, maar
gemeenten zelf zouden moeten bepalen of zij een gekozen burgemeester willen. Boogaard
betoogt dat de discussie nauw samenhangt met de vraag hoe serieus Nederland lokale
autonomie neemt. Volgens hem zou de Gemeentewet meer ruimte moeten bieden voor
institutionele verschillen tussen gemeenten.
Vanuit dit perspectief hoeft er geen uniforme landelijke oplossing te bestaan. Grote steden
zouden kunnen kiezen voor een gekozen burgemeester, terwijl andere gemeenten vasthouden
aan het huidige systeem. Dit sluit aan bij bredere ontwikkelingen binnen het openbaar bestuur,
waarbij maatwerk en differentiatie steeds belangrijker worden.
Een dergelijk model zou bovendien de soms ideologische discussie tussen voor- en
tegenstanders kunnen doorbreken. Gemeenten krijgen dan de vrijheid om zelf af te wegen welk
bestuursmodel het beste aansluit bij hun lokale omstandigheden.
Conclusie
De discussie over de gekozen burgemeester gaat uiteindelijk over meer dan een
benoemingsprocedure. Zij raakt fundamentele vragen over democratische legitimiteit,
machtsverdeling en lokale autonomie.
Een rechtstreeks gekozen burgemeester kan de betrokkenheid van burgers vergroten, de positie
van lokale partijen versterken en zorgen voor een duidelijker democratisch mandaat. Daar staat
tegenover dat zo’n burgemeester de bestaande bestuurlijke verhoudingen kan veranderen en
mogelijk spanningen creëert tussen burgemeester en gemeenteraad.
De meest interessante ontwikkeling in het huidige debat lijkt daarom niet de vraag óf Nederland
een gekozen burgemeester moet krijgen, maar of gemeenten zelf deze keuze zouden moeten
kunnen maken. Daarmee verschuift de discussie van een nationaal staatsrechtelijk vraagstuk naar
een debat over lokale democratie en gemeentelijke autonomie. Juist daarin ligt waarschijnlijk de
toekomst van het gesprek over het burgemeestersambt in Nederland.




Genuanceerd stuk, er zijn echter enkele aspecten die ik mis. Zo is er het automatisme dat de burgemeester ook automatisch voorzitter van de gemeenteraad is. Waarom is een gemeenteraad -net als de kamer- niet in staat de eigen voorzitter te kiezen? Een ander aspect wat niet benoemd wordt is de legitimiteit en het draagvlak voor de bestuursstijl. Een burgemeester kan door burgers niet afgerekend worden bij een (her)verkiezing. Ten derde: coalitievorming heeft het risico dat het democratisch bestel verandert in een dictatuur van de meerderheid. Burgemeestersverkiezingen halverwege de bestuurstermijn van de gemeenteraad zou hierin meer evenwicht kunnen brengen.