In een commentaar op de aanslag op de Berlijnse Pride heeft Stefan Evers, een CDU-politicus, gezegd dat het islamisme een gevaar is voor homo’s en lesbiennes. Dan zult u zeggen: “ach, niks bijzonders, dat is toch ook zo?” Jazeker, dat is ook zo, maar het is belangrijk dat een vertegenwoordiger van de christendemocratie het zegt. En zegt op precies die manier: islamisme, de ideologie die de islam een ultra-politieke betekenis wil geven, is een gevaar voor homo’s en lesbiennes. Je kan ook zeggen: islamisme is een bedreiging voor LBGTI.
Evers wijst dus op de betekenis van een manier van denken, een ideologie, en hij geeft aan dat als men het terrorisme onder controle wil krijgen, men moet weten wat de aard is van de ideologie die dit terrorisme motiveert.

Je kan dat gevaar ook anders benoemen. Bijvoorbeeld zo:
“Haat en agressie zijn een gevaar voor homo’s en lesbiennes”. Of: “Intolerante standpunten zijn een probleem”. Enzovoorts.
Als je het op die laatste manier doet, dan laat je het islamisme buiten beschouwing en concentreer je je op een breder verhaal over haat en intolerantie.
Premier Jetten (D66) doet het laatste. Hij zei: “De afschuwelijke daad van agressie gisteravond op de Pride in Berlijn is een regelrechte aanslag op onze vrije en tolerante samenleving.” Is dit verkeerd? Nee, natuurlijk niet, want wat Jetten zegt klopt ook, maar het laat de oorzaak van het intolerante gedrag onbenoemd. En die oorzaak is het islamisme.
Het is geen toeval dat Jetten het islamisme onbenoemd laat. Ook de demonstranten zelf tijdens de Pride laten het onbenoemd. Grofweg kan je zeggen dat partijen als D66 en de woke-aanhangers van de Pride islamisme niet als gevaar zullen aanwijzen. Waarom zij dat niet doen, daar is veel over te zeggen, maar nu doe ik dat even niet.
Ik ga weer terug naar de christendemocratie, de traditie waarin Stefan Evers zelf staat. De traditie dus van Jan Peter Balkenende, Ernst Hirsch-Ballin, Piet-Hein Donner, Henri Bontenbal, Ferd Grapperhaus. Evers breekt met een christendemocratische traditie het islamisme onbenoemd te laten.
Precies in dat onbenoemd laten, ook in Nederland, schuilt het probleem. Christendemocraten hebben in Nederland vaak ministers van Justitie geleverd. Die ministers van Justitie zijn verantwoordelijk voor de veiligheid en de criminaliteitsbestrijding. Ook het terrorisme dus. En als je niet kan benoemen wat dat terrorisme aandrijft (islamisme dus) weet je niet wat je moet bestrijden.
Daarom is ook Nederland sinds 2004 (met min of meer de eerste islamistische aanval op Europese bodem) geen stap dichterbij gekomen in het bestrijden van de islamistische ideologie. Morgen kan op een Pride-bijeenkomst in Amsterdam zich ook een Abdul Ballout presenteren en een aanslag plegen.
Dan zullen ook in Nederland de bezoekers van die Pride-bijeenkomst stomverbaasd zijn over zoveel “haat” en “intolerantie”. Maar die verbazing vindt zijn grond in het feit dat men al meer dan 20 jaar zijn ogen sluit voor de ideologie van het islamisme.
Paul Cliteur is de schrijver van verschillende boeken over islamisme en het gevaar dat het met zich meebrengt voor westerse waarden als vrijheid van expressie.



