Drie vrienden staan op 15 april aan de Schiedamse Vest in Rotterdam. Zij plannen een vakantie. De sfeer is rustig. Twee mannen lopen tussen hen door. Een van hen begint kunstbloemen op een terras te vernielen. Iemand zegt daar iets van. Dat is het hele misdrijf van het slachtoffer: hij wijst iemand terecht.
Wat volgt is geen woordenwisseling. De vernieler draait zich om. De waarschuwing “ik wil geen gedoe, loop gewoon verder” maakt hem bozer. De rugzak gaat af. De hand gaat naar iets achter in de broek. Deze straat is van mij, zegt hij. Weet je wie ik ben. Ik maak je dood. Zes, zeven keer achter elkaar.
Dan de snijdende beweging langs de nek. Millimeters. Een vriend trekt hem aan de schouder naar achteren. Eerst voelt hij niets. Daarna het branderige van een papiersnee, en bloed op de vingers. De twee mannen blijven nog een minuut staan en lopen weg.
In Opsporing Verzocht zegt het slachtoffer wat je in dit land inmiddels als levensles meekrijgt. Het leven gaat door, maar je let op tegen wie je praat. Eén beweging en je was er niet meer.
Zo leert een samenleving dat wegkijken veiliger is dan ingrijpen
Er wordt veel geklaagd over individualisme. Iedereen op zijn scherm, niemand die omkijkt. Dat klopt voor een deel. Het andere deel is harder. Mensen kijken wél om. Zij halen het alleen niet meer in hun hoofd om iemand aan te spreken. Niet omdat zij egoïstisch zijn geworden, maar omdat de prijs van fatsoen een mes kan zijn.
Een terras vol kapotte bloemen is geen wereldnieuws. Het is precies het soort kleine verloedering waarop een stad rust of omvalt. Wie zwijgt, leert de volgende dat de stoep van hem is. Wie spreekt, riskeert zijn hals. Dat is geen toeval van één avond in Rotterdam. Dat is een omkering: de overtreder eist respect, de aangesprokene moet zijn testament kennen.
Burgerschap begint bij de zin: doe dat niet. Zonder die zin blijven alleen camera’s, een item in Opsporing Verzocht en een litteken dat dagelijks aan die avond herinnert. De politie zoekt nog. De verdachte is een zwarte man met dreadlocks, donkere kleding, witte Nike-schoenen, oorbellen en een grote ketting. Zijn metgezel wordt niet verdacht van een misdrijf. Zolang hij niet is gepakt, blijft vooral de bittere les van het slachtoffer hangen. Let op tegen wie je praat.
Fatsoen zonder handhaving is een uitnodiging voor strafbaar gedrag
Den Haag praat over sociale cohesie, weerbare wijken en omzien naar elkaar. Aan de Schiedamse Vest is omzien naar elkaar een steekpartij geworden. Dan kun je nog zo mooi over individualisme preken. Mensen trekken zich terug omdat de staat de straat niet meer onder controle heeft.
Een mes naar de keel omdat iemand bloemen beschermt, is geen incident dat je wegzet als “ongelukkige combinatie van omstandigheden”. Het is de meetlat. Als vernielen normaal is en terechtwijzen levensgevaarlijk, wint de man die roept dat de straat van hem is. De rest plant geen vakantie meer op de stoep. Die loopt door, kijkt weg en noemt dat verstandig.
Het moeilijkste, zegt het slachtoffer, is de wetenschap dat één beweging genoeg was. Hij heeft familie en vrienden. Zij hadden een bericht kunnen krijgen. In plaats daarvan heeft Nederland een nieuwe regel geleerd. Zeg niets. De bloemen zijn toch nep. De straat is toch al van een ander. En wie dat de samenleving noemt, moet uitleggen waar het omkijken naar de ander is gebleven. Niet in de folder. Op de stoep. Daar waar millimeters het verschil maken tussen een vakantie plannen en niet meer thuiskomen.
Steun Realistische Reflecties
Wilt u dat Realistische Reflecties blijft groeien als onafhankelijk platform voor scherpe columns, analyses en geluiden die elders te weinig ruimte krijgen? Steun ons dan met een donatie. Iedere bijdrage, groot of klein, helpt ons om onafhankelijk te blijven, nieuwe schrijvers een podium te bieden en ons bereik verder uit te bouwen. Samen houden we het vrije en kritische geluid levend. Doneren kan via deze link.




